Antwoorden
Print deze pagina

Op deze site vind je drie soorten opdrachten: opdrachten bij hoofdstuk 1 tot en met 6, bij de tekstfragmenten en een serie afsluitende opdrachten voor het leesdossier. In deze rubriek staan de antwoorden van de eerste twee soorten opdrachten, althans voor zover je die niet in de verschillende hoofdstukken op de site kunt vinden of op de opgenomen doorverwijzingen naar andere websites.

Hoofdstukken

Hoofdstuk 1

  1. Het antwoord op deze vraag is persoonlijk.
  2. Kenmerken van de Karelroman, die ook wel voorhoofse ridderroman wordt genoemd, zijn:
    • de stof gaat meestal terug op een historische figuur;
    • strijd en brute kracht worden verheerlijkt;
    • de vrouw speelt een ondergeschikte rol en wordt soms ruw behandeld;
    • de trouw (aan God en de leenheer) is zeer belangrijk.
    Kenmerken van de Arturroman, die ook wel hoofse ridderroman wordt genoemd, zijn:
    • ze spelen zich af rondom koning Artur en zijn ridders;
    • de sfeer is wonderlijk en sprookjesachtig;
    • list en sluwheid belangrijk, naast dapperheid en gevechtskracht;
    • de vrouw staat op een voetstuk en de ridder is haar dienstknecht.
  3. Volgens het verhaal hield koning Artur met Pinksteren een zeer belangrijke hofdag in Kardeloet. Nooit zag men een dergelijk festijn. De koning en de koningin droegen hun kroon. Vele dappere en voortreffelijke ridders waren toen naar het hof gekomen. De koning had vijfhonderd paar mantels en kleren laten maken van rood fluweel en scharlaken. Die waren allemaal afgezet met wit hermelijnenbont en gevoerd met blauwe zijde. Ridders en jonkvrouwen hadden die dure, kostbare kleren gekregen en aangetrokken.
    De koning ging naar de mis, vergezeld door wel 5000 uitstekende ridders. Erec en Idier liepen voor de koning uit met twee gouden staven: zij moesten opdringerige mensen op een afstand houden.

Hoofdstuk 2

  1. Monniken waren in de Middeleeuwen - letterlijk - de makers van boeken. De uitdrukking monnikenwerk betekent dat je veel geduld moet hebben om iets te verrichten. Dat gold ook voor het maken van een boek; dat vergde heel wat geduld omdat alles met de hand gebeurde.
  2. Het antwoord op deze vraag kun je terugvinden in de tekst over de bladzijde uit de Spiegel historiael. De gevraagde termen worden daar prima uitgelegd.

Hoofdstuk 3

  1. Middeleeuwse boeken werden geschreven op perkament. Dat was kostbaar. Vandaar dat er zuinig mee werd omgesprongen en een kopiist niet meer perkament gebruikte dan noodzakelijk was. Bovendien werd een boek in opdracht gemaakt. De opdrachtgever wist wel om welk boek het ging; hij had daarvoor geen titelpagina nodig. Daarnaast waren er voor de komst van de boekdrukkunst weinig boeken. Door de boekdrukkunst veranderde dit; het aanbod van boeken steeg. Om reclame te maken voor een boek - en de mogelijke koper een idee te geven waar het boek overging - gebruikten drukkers voortaan de titelpagina.
  2. Een boek werd met de hand geschreven, zowel de tekst als eventuele illustraties. Ook al kopieerde een kopiist twee keer dezelfde tekst, dan nog was zijn handschrift niet helemaal identiek. Bovendien had de opdrachtgever inspraak bij de productie van een boek. Ook om deze reden zag dezelfde tekst er nooit precies hetzelfde uit.
  3. Vers 1, "ons vertelt die avonture", geeft aan dat het verhaal hardop werd voorgelezen.

Hoofdstuk 4

  1. Persoonlijk antwoord.
  2. De Kelten waren de oorspronkelijke inwoners van Groot-Brittannië. Zij stonden bekend als zeer goede vertellers en hebben ook talloze verhalen over koning Artur, hun koning verteld.
  3. Het antwoord op deze vraag staat in hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 5

  1. Over het leven van de Franse schrijver en dichter Chrétien de Troyes is niet heel veel bekend. In elk geval was hij als hofdichter in dienst van Maria, hertogin van Champagne; zijn laatste levensjaren schijnt hij te hebben doorgebracht aan het hof van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, die hem stof leverde voor zijn Graalroman. Vermoedelijk heeft hij reizen gemaakt in Engeland en hij moet de letterkunde van zijn tijd goed hebben gekend. Zijn literaire loopbaan viel tussen 1164 en 1190. Hij schreef vijf knap gecomponeerde Arturromans: Érec et Énide, Cligès, Lancelot of Le chevalier à la charrette, Yvain of Le chevalier au lion en Perceval of Le conte du graal, dat onvoltooid is gebleven. Zijn romans zijn vanaf het begin van de 13e eeuw vertaald en nagevolgd.
  2. Het antwoord op deze vraag staat in hoofdstuk 5, paragraaf 2.
  3. Een definitie van de term vind je in de woordenlijst.
  4. Een Arturroman bevat veel stereotiepe elementen. Als lezer weet je dan wat je van zo'n tekst kunt verwachten. Ook detectives, thrillers en doktersromans hebben steeds dezelfde ingrediënten en vaak een voorspelbare afloop.
  5. a.
    • De kleding van de aanwezigen is prachtig;
    • Voor het eten worden de handen gewassen;
    • Het eten wordt keurig opgediend;
    • De ridders en jonkvrouwen gaan beschaafd met elkaar om.
  1. b.
    • Artur houdt een hofdag tijdens Pinksteren;
    • Er zijn talloze, 5000 wordt genoemd, ridders aanwezig op die hofdag;
    • De dag verloopt voorspoedig: er wordt geconverseerd, de mis bijgewoond en gedronken en gegeten;
    • Plotseling komt er een avontuur van buiten: er verschijnt een bode aan het hof om te vertellen dat Tristan en Isolde zijn gestorven. Vervolgens trekken Artur en zijn ridders eropuit om de begrafenis bij te wonen.
  1. a.
    • Ferguut begrijpt niet dat Galiene verliefd op hem is. Haar beeldspraak van het hart om dat aan hem duidelijk te maken begrijpt hij niet: hij denkt dat haar hart werkelijk kwijt is en denkt dat Galiene een spelletje met hem speelt.
  1. b.
    • Nee, Ferguut is geen hoofse ridder. Hij begrijpt de hoofse conversatie, die bol staat van figuurlijk taalgebruik, niet. Hij weet ook niet wat hoofse liefde is omdat hij Galiene afwijst en liever gaat vechten. Het was ongepast als ridder een dame een dienst te weigeren.
  2. Het antwoord op deze vind je in de paragraaf Walewein van Melle.
  3. In de Graalromans wordt een christelijk ridderschap als ideaal voorgesteld. Die nieuwe ridderideaal heeft te maken met de opkomst van de kruistochten (vanaf de 11e eeuw). In zo'n kruistocht trekken christelijke ridders ten strijde tegen de vijanden van het christendom met als doel het heroveren van het Heilige Land.

Hoofdstuk 6

  1. Bij Artur staat de tafel voor gelijkheid. Een huidig rondetafelconferentie wil zeggen dat alle deelnemers aan die vergadering gelijk zijn. Er zit, omdat de tafel rond is, bijvoorbeeld niemand aan het hoofd van de tafel.
  2. Deze vraag kun je met een reisgids prima zelf beantwoorden.

Tekstfragmenten

Roman van Walewein

  1. Een van de hoofse gedragsregels was dat een ridder een dame moest dienen, bijvoorbeeld haar te hulp schieten als ze in nood zat. De rode ridder doet precies het tegenovergestelde; door haar te slaan, maakt hij haar verdriet nog groter. Ook is de rode ridder onbeschoft tegen Walewein: op zijn vragen geeft hij geen antwoord en hij noemt hem een dwaas. Zulk gedrag past ook niet binnen de hoofse etiquette.
  2. Walewein zegt in het fragment: van vrouwen komt alle eer voor ons.
  3. Jonkvrouwen in nood helpen. Verder is Walewein beleefd tegen zijn tegenstander. En als derde weigert hij hem te doden, maar probeert hij hem juist bij te brengen als hij door de tweestrijd gewond is geraakt. Ten slotte raadt Walewein de rode ridder aan genade aan God te vragen voor zijn zonden.

Walewein en Keie

  1. Er is een hofdag waar ook de Tafelronderidders bij aanwezig zijn. Er wordt gegeten; dat is een typisch hoofs gebruik. En verder wordt de rust van de hofdag verstoord door de praatjes van Keie.
  2. Walewein is de hoofse ridder bij uitstek. Hij staat hoog in aanzien bij de koning; hij is zelf diens plaatsvervanger. Verder is Walewein bescheiden; hij zegt bijvoorbeeld dat er nog veel betere ridders zijn dan hij. Ook is Walewein beleefd, bijvoorbeeld door de manier waarop hij de koningin antwoord geeft. En tot slot heeft Walewein vertrouwen in God.
    Keie is precies het tegenovergestelde van Walewein. Hij wordt door velen aan het hof gehaat, is er op uit om collega's zwart te maken en hij liegt voortdurend.
  3. Het avontuur in Walewein en Keie komt niet van buiten, maar van binnen. Door de lasterpraatjes van Keie wordt Walewein min of meer gedwongen het hof te verlaten. Met zijn vertrek is het afgelopen met de feestelijk sfeer tijdens de hofdag. In Ridder metter mouwen komt het avontuur wel van buiten. In dat verhaal komt immers een bode aan het hof die vertelt over de dood van Tristan en Isolde.
  4. Deze vraag hangt samen met het antwoord op de vorige vraag. Als Keie zijn vervelende praatjes voor zich had gehouden, had zich geen avontuur aangediend. En was er dus ook niets te schrijven, want een boek lang over een hofdag vertellen is nogal saai.

Lanceloet en het hert met de witte voet

  1. Lanceloet is de positieve figuur. Hij is de zoektocht naar het hert met de witte voet begonnen ter meerdere eer en glorie van de jonkvrouw. Ook al is hij nog zo ziek, hij zet alles op alles om de witte voet te bemachtigen. Daarmee is Lanceloet een hoofs ridder.
    Zijn tegenspeler, de ridder, is de negatieve figuur. Hij slaat de al gewonde Lanceloet nog verder in elkaar.
  2. De laatste zin van het fragment, wat zou het baten het als ik lang van stof zou zijn, toont aan dat de tekst bedoeld was om te worden voorgedragen.
  3. Dat je goed niet met kwaad moet vergelden, maar dat je als een echte ridder, dus hoofs, moet gedragen. De verteller voegt er aan toe dat slecht gedrag niet beloond zal worden.
  4. Uit het feit dat Walewein de ridder wel verslaat, maakt het publiek op dat Walewein een betere ridder is dan Lanceloet.
  5. De beloning voor het hert met het witte voet is een huwelijk met de koningin van de jonkvrouw. Lanceloet heeft al een relatie met Guinevere, de hoogste vrouw aan het hof. Dus in dat opzicht is het vreemd dat hij aan het avontuur begint.

Ferguut

  1. Een dorper is een boerenkinkel, iemand die niets van hoofsheid weet en dus ook niet volgens de hoofse gedragregels leeft. Dat Ferguuts vader een dorper is, blijkt onder meer uit het feit dat hij Ferguut een flink pak rammel wil verkopen als deze hem vertelt ridder te willen worden. Later scheldt hij hem uit voor hoerenzoon; ook dat is niet erg netjes.
  2. Ferguut draagt berenvellen, moet zware arbeid op het land verrichten en is bang als hij Arturs ridders ziet. Zijn naviteit blijkt uit het feit dat hij denkt spoedig tot de beste ridders van Artur te horen. Als hij later een oude, versleten wapenuitrusting van zijn vader krijgt, is hij als een kind zou gelukkig en denkt hij dat hij al ridder is.
  3. De vrouw van Somilet is van adel. Bovendien is ze erg knap. Ook de zonen zien er goed uit. Een knap uiterlijk was in de Middeleeuwen het teken dat het ook innerlijk wel goed zat, precies zoals in veel huidige films de slechteriken lelijk zijn en de goeden mooi. Bovendien zal er iets van de adellijke afkomst van Somilets vrouw zijn overgegaan op haar zonen.
  4. De wapenuitrusting van Ferguut bestaat uit een maliënkolder een helm, beensbeschermers, een witte broek, helm en zwaard. Ook krijgt hij nog een werpspies; dat is nou niet een wapen waar echte ridders gebruik van maken. Ironisch is verder dat de verteller opmerkt dat de maliënkolder helemaal roestig is. Ook dat past niet bij een ridder.
  5. Dat Ferguut de zwarte ridder verslaat, kun zien als een teken dat Ferguut inderdaad ridderlijk bloed heeft en een goed vechter is. Bovendien kun je hieruit opmaken dat Ferguut al een eind op weg is om een echte ridder te worden. Immers, niemand heeft deze gevaarlijke ridder ooit verslagen, zelfs de ridders van koning Artur niet.
  6. Dat Ferguut de zwarte ridder niet doodt, is een teken van hoofsheid. Bij Walewein hebben we dit eerder gezien. Ook hij doodde de ridder die de jonkvrouw mishandelde niet.
  7. Keie heeft Ferguut belachelijk gemaakt door hem te vertellen dat hij een ridder van niks is. Door de zwarte ridder naar het hof te sturen en hem alle aanwezigen te laten groeten, behalve Keie, neemt Ferguut wraak voor die belediging.

De Graalkoning

  1. Op pagina 1 zegt Merlijn dat slechts wie zuiver van hart is de Graal kan aanschouwen. Bovendien wordt er gesproken van innerlijke vervolmaking, hoger leven en geheim van het leven. De christelijke ridders in de Arturromans zijn ook zuiver van hart, dat wil zeggen vroom, kuis en wijden hun leven aan God.
  2. De Visserkoning wordt genoemd. Johan krijgt de opdracht naar hem op zoek te gaan en hem de enige vraag die van belang is te stellen. In de Conte du Graal komt Perceval ook bij de Visserkoning terecht. Verder blijkt dat de Visserkoning invalide is; hij wordt tenminste met een draagstoel zijn kasteel binnengedragen en lijdt hevige pijnen. In de Conte du Graal is de Visserkoning ook invalide. Tot slot, is er sprake van een vraag. Pas als die gesteld wordt, wordt het geheim van de Graal duidelijk. Perceval stelt die vraag niet, Johan wel.
  3. De Graal geneest de Visserkoning en verder brengt de Graal de verdorde natuur weer tot leven.
Vorige pagina
Copyright © 2002-2010 Team llb243